Nieuwsbrief november 2005

afbeelding van Mariëtta

Voor het “dagje winkelen” in San Sebastian moet ik de wekker zetten. De ferry gaat om 7 uur, maar om op de kade te komen moeten we 20 minuten met onze dinghy varen en met ontbijten en aankleden kost dat de nodige tijd. De wekker dus op kwart voor zes en in het pikkedonker brengt de bijboot van de Drifter Coby en mij aan wal.
Na een ferrytochtje van 50 minuten komen we dan voor dag en dauw aan in San Sebastian. Alle winkels zijn nog dicht en we gaan eerst maar eens een kopje koffie drinken. Daar staan ook computers, dus ook meteen e-mail checken. Het is toch wel bijzonder dat er in dit land zo veel internet cafés zijn.
San Sebastian hebben we snel gezien, ondanks dat het de hoofdstad van La Gomera is, stelt het toch niet veel voor. Onze terugreis is pas om half 4 ’s middags dus we moeten langzaam aan doen. Als we dan om half 2 met een volle boodschappenkar helemaal reisvaardig zijn duik ik nogmaals het internet cafe in. Nu kan ik er eens goed voor gaan zitten en beantwoord ik heel veel mails. Het is erg leuk om van iedereen mail te krijgen, en ik moet natuurlijk ook van mij laten horen, soms schiet er dat bij in.
Ik heb nu bijna alle boodschappen die ik wil doen en bereid de oversteek naar de Kaapverden verder voor. Het wordt een oversteek van 7 tot 8 dagen (kan meer worden bij weinig wind) en ik kook zo veel mogelijk in het vooruit. Van een kip (die je hier compleet met kop, snavel en poten koopt) maak ik soep en wek drie potten van het vlees. Van gehakt maak ik, volgens Coby’s recept drie potten basissaus voor pasta of rijst. De groente die gekookt moet worden worden ook in potten gewekt. En sinds enkele dagen maak ik elke ochtend een liter yoghurt. Dat is lang houdbaar en ik bewaar die in de lege petpotten van de mayonaise. Het is een drukke tijd met veel zweet en veel afwas. Heerlijk om dan tussendoor een duik te nemen en dan zo’n tien rondjes rond de boot te zwemmen.
Zaterdag (de geplande vertrekdag) komt steeds dichterbij. Ik koop bij de slager nog anderhalve kilo rundvlees en bak de lappen volgens Paul recept in de snelkookpan. Met voldoende vet blijft dat goed tot in Mindelo (onze eerste aanloophaven op de Kaapverden).
’s Morgens voor vertrek komen Arnold en Coby nog even pallaveren en we spreken af dat we elke dag om 10 uur ’s ochtends en zes uur ’s avonds contact maken met de VHF (marifoon), als we te ver uit elkaar liggen gebruiken we de SSB radio voor het contact op een afgesproken frequentie. Dan komt het klaar maken van de boot, bijboot op het voordek. Alles goed vastsjorren en om twee uur gaan we anker op en worden we uitgezwaaid door twee andere Nederlanders die in de baai van Vally Gran Rey voor anker liggen.
Die eerste dag hebben we redelijk veel wind. De wind komt wel uit een andere hoek dan de gripfiles ons beloofden, maar in de buurt van eilanden is dat verklaarbaar. Het is middernacht als we de laatste vuurtoren van het eiland El Hierro (laatste Canarische eiland) voorbij varen. De grote plas op. Een kleine 800 zeemijlen niets dan water om ons heen. Heerlijk.
De eerste twee dagen hebben Paul en ik altijd nodig om weer even te wennen aan de schommelingen van het schip. We doen niet veel, zeggen niet veel, eten niet veel, nemen om de acht uur een pilletje tegen zeeziekte. Maar dan, als we weer een gewend zijn aan de deining komt het grote genieten. De zon schijnt overdag en ’s nachts de maan. Het is wassende maan, dus we houden voorlopig een helder nachtlandschap.
Op dag drie lijkt het even gedaan met de wind en wordt de motor bijgezet. Na een dagje motoren besluiten we de motor af te zetten en dobberen we een beetje op de stroming naar het zuiden. Dan komt er weer een beetje wind. Paul experimenteert met allerlei zeilstanden. Hij zet de boom uit aan bakboord. Van Arnold kreeg Paul een tip om de boom zo te zetten dat de boom kan blijven staan, ook al moet het zeil weggerold worden en over de andere boeg gezet worden. Iets met een extra lijn en een klapblok. We lijken wel een visserschip met die palen opzij van de boot. Als dan de aap ook nog vliegend aan de andere kant van de Genua staat is Paul tevreden. Het is heerlijk om te kijken hoe Paul met zijn speelgoed (zo noemt hij zijn boot) speelt.
Via het radiocontact horen we hoe het met Arnold en Coby gaat op de Drifter. Ook daar is het volop genieten.
Dan vangt Paul de eerste vis van deze oversteek. Het is een soort geep. Een lang smal dier met een enorme bek. Volgens het boekje moet dit dier in kustwateren en op zandgronden te vinden zijn. Beetje vreemd, ik zie hier geen kust en de bodem van de oceaan is hier 4000 meter diep. Het zal wel een dwaalgeep zijn. Kunstig wordt hij via de gaf, een stok met een scherpe haak, aan zijn staart opgehangen. Even later vangt Paul een enorme dorade. Hij is te groot voor onze rookdoos. De vissen worden schoon gemaakt en daar hangt onze buit van vandaag. Die avond gaat de rookdoos op het fornuis. Van de kop van de dorade maak ik de volgende dag een soep. Het wordt een smulpartij. Er is teveel gerookte vis, van de restjes maak ik een vissalade met rijst.
Ook de volgende dag is het weer heerlijk genieten. Volop zon, een lekker gangetje in de boot.
We zien de eerste walvissen. Nou ja zien? Het ging zo:
Ik kom boven en het stinkt. Dus ik zeg tegen Paul: “Heb je weer een scheet gelaten?” “Je neus
zit te dicht boven je mond” is het commentaar. “Dan is er een walvis” zeg ik, “ik weet het zeker”. Ik scan het water een poosje en ja hoor, een spuiter. Even later een stukje verder weer. Die dag zien we ook een schooltje dolfijnen. Het zijn redelijk grote dolfijnen en ze zijn erg speels. Ze spelen in de boeggolf en springen kleine stukjes uit het water. Het zijn geen tuimelaars, weet je nog, die dolfijn die we vorig jaar in Schotland tegen kwamen? We voelen ons weer bevoorrechte mensen.
Het wachtschema wat we hanteren bevalt ons beide erg goed. Ik zal er iets over vertellen. Het schema is vier uur op en vier uur af. Dit doen we ook overdag. Als je dan nog extra uurtjes slaap wil pakken is daar volop de tijd voor. Ik begin bij de avond. Ik loop wacht van 20 uur tot 24 uur. Eerst lees ik wat of ik ga lekker zitten breien in het maanlicht en tegen 23 uur ga ik op de bank liggen met een kookwekker op 15 minuten. Dat maak ik al kleine slaapjes. Om middernacht maak ik Paul wakker, we wisselen informatie uit en dan kan ik lekker gaan pitten. Na de eerste paar dagen slaap ik goed. Om 4 uur wordt ik dan weer gewekt. Omdat ik de slaap dan nog niet goed uit heb ga ik weer in stukjes van 15 minuten slapen met de kookwekker. Als de zon op komt, iets na zevenen, ga ik zitten genieten van de omgeving en de rust in de kuip. Dat is echt mijn uurtje, dan ben ik muisstil in de hoop dat Paul niet wakker wordt. Heerlijk om zo de dag te beginnen. Om 8 uur maak ik ontbijt en door het gerommel met de potten en de pannen wordt Paul vanzelf wakker voor zijn volgende wacht. Na het ontbijt ga ik liggen lezen (soms val ik dan weer in slaap) en ga ik om kwart voor tien koffie zetten. Bij een bakje koffie maken we dan om tien uur SSB contact met de Drifter. We hebben steeds een hoop bij te kletsen. We horen dat Coby ’s nachts een walkman op heeft met Dire Strait en dan lekker gaat swingen op het dek. Voor de nodige beweging. Bijzonder hoor, wel slim, want tijdens zo’n oversteek beweeg je eigenlijk veel te weinig. Maar ik zie mezelf nog niet echt swingen ’s nachts. Ook verdiept Coby zich in de sterren. Een astronoom in spé. Wij vertellen dan van onze bezigheden. Wisselen informatie uit over koers en wind en zeilstanden. Maar ook boekinformatie en recepten worden via de radio uitgewisseld. Mijn wacht begint weer om 12 uur. Het is dan ook lunchtijd en ga ik alvast bedenken wat we die avond gaan eten. Ik heb, als het zo lekker rustig is, volop tijd om uitgebreid te koken. De warme maaltijd is dan het hoogtepunt van de dag. Van vier tot acht heb ik dan, buiten het koken, tijd om te ontspannen. Klinkt goed hè? Maar als het weer anders is is het niet zo relaxt hoor, dus daarom nu extra genieten.
Halverwege onze reis is het volle maan. We zien aan de ene kant van de boot een mooie zonsondergang en precies 180 graden de andere kant op staat die maan, helemaal vol, te glimmen. Moet je voorstellen. Wij in het midden van een enorme grote ronde waterplas. Aan een kant de zon die ondergaat en aan de andere kant de maan die op komt. We voelen ons heel gelukkig. Die avond krijg ik ook nog een gratis schimmenspel te zien. De maan verlicht van achteren de bezaanmast met het zeil, de verstaging en de wapperende vlag en projecteert dat op de Genua die ik net aan het bekijken was. Het is net een wuivende wajangpop. Jammer dat dit niet te fotograferen is, gewoon goed opslaan op de eigen harde schijf.
Na vijf dagen zie ik dat het brood begint te schimmelen. Snel snijd ik het brood wat nog goed is in sneden en leg ze te drogen in de zon. Ik hoop er zo nog wat langer mee te doen. Maar dat mislukt. En ik zal toch aan het broodbakken moeten beginnen. Het eerst brood ziet er goed uit maar is keihard. Niet te eten. Het deeg wilde niet rijzen. Waarschijnlijk is het meel (kant en klare broodmix) te oud geweest. Je kan er iemand zij hersens mee inslaan. Overboord ermee. Het volgende brood is al iets beter, het heeft iets gerezen, maar nog onvoldoende. We doen het ermee. We hebben ook nog toastbroodjes. Weet je, ik heb het deeg laten rijzen in de motorruimte. Die was warm omdat de motor even heeft bijgestaan om de accu’s wat te vullen.
Zo leren we steeds beter omgaan met de mogelijkheden die dit schip ons biedt.
De volgende dorade is niet zo groot. We gaan deze bakken. In een boek lees ik hoe de vis gefileerd moet worden. Gewapend met fileermes en plank ga ik aan de gang op het achterdek. Het wordt een bloederige bedoeling. Dat valt nog niet mee. Als het schip een schuiver maakt over de golven glijd ik van de verhoging af, de vis van de plank, de filets op de grond. Afijn, oprapen en doorgaan. Oefening baart kunst hoop ik, niet alleen het fileren maar ook mezelf in evenwicht houden met een bloedscherp mes in de hand. Die avond is het extra lekker smullen van een gepaneerde dorade filet. Omdat we over de helft van deze oversteek zijn en de omstandigheden het toelaten, trakteren we ons op een wijntje bij het eten. En we zeggen tegen elkaar: “God wat hebben we het slecht!”
We horen dat er om acht uur ’s avonds een Nederlands rondje op een piratenfrequentie is. Die avond zitten we naast elkaar op het navigatiebankje gekluisterd aan de SSB radio. Het is leren om uit de kraakjes en piepjes de geluiden te halen. En dat gaat steeds beter. De Drifter en de Nije Faam zijn niet de enige Nederlandse zeilboten die momenteel naar de Kaapverden zeilen. We horen op de radio dat ook Lady Jean, de Oceans 4, de Catch 22, de Noorderzon en de J&B onderweg zijn naar de Kaapverden. Op de Kaapverden ligt de Diederik al. Door al die gesprekjes van die booties (bootmensen) steken we weer een hoop op. We leren omgaan met de radio, we vinden de knoppen om de ruis te onderdrukken, het vermogen waarmee we zenden is voor de ontvanger belangrijk om duidelijk binnen te komen.
Terwijl ik een jurk (ja je leest het goed!) zit te breien voor mijn kleindochter fantaseert Paul allerlei figuren van de wolken. Hij ziet een trein met beren erin en een oorlogsschip. De boot die zo in een cadans door dendert doet hem denken aan een treinreis die hij eens maakte door Siberië. Daar zag hij dagen achter elkaar het zelfde landschap voorbij komen, berkenbossen met sneeuw op de boomtoppen.
Het valt me ineens op dat we steeds minder kakkerlakken in de boot zien. Had ik dat eigenlijk al eens verteld dat we toch kakkerlakken aan boord hebben gekregen ondanks dat we steeds zo voorzichtig waren met onze schoenen en de tassen? Ik weet het niet meer. ’s Nachts zagen we steeds een kakkerlak op het aanrecht lopen. Steeds maar eentje, maar toch steeds als we het licht boven het aanrecht even aandeden zagen we er een wegschieten. Ze gaan op de vlucht voor licht. We hebben toen van Borax, gecondenseerde melk en meel een papje gemaakt en dat in lege doppen van petflessen gedaan. Overal staan nu van die dopjes. Het is de bedoeling dat de kakkerlakken hiervan gaan eten en dan verstenen ze van binnenuit. Ik denk dat het hielp want we vingen er steeds minder en het waren ook steeds kleinere kakkerlakjes die we vingen. Maar nu we onderweg zijn wordt dat weer veel minder. Misschien zijn die wel zeeziek geworden van dat geschommel van die boot. Je weet het niet.
Dan op een ochtend zie ik iets heel bijzonders aan onze positie op de GPS. Het getal wat bij noorderbreedte staat lijkt veel op dat van westerlengte. Ik kijk het even aan en bereken hoe lang het nog zal duren dat het helemaal gelijk is. Heel binnenkort dus. Ik pak mijn fotocamera en probeer dit op de gevoelige plaat vast te leggen. Het resultaat is een beetje wazig maar op 17 november 2005 om 9 minuten over acht was onze positie: 21°36,074 N en 21°36,074 W. Leuk hé, je kunt je maar ergens mee bezig houden.
Het einde van onze derde en tot nu toe langste oversteek komt in zicht. Nog iets meer dan 100 mijl. We berekenen dat als we hetzelfde tempo kunnen houden we op zondag rond het middaguur aan zullen komen. Dat is mooi. We hoeven dan niet te versnellen of te vertragen. Dat zouden we alleen doen als we anders niet bij daglicht aan zouden komen. We ruimen de boot al wat op. Paul bovendeks, en ik onderdeks. Als we aankomen op Mindelo, de hoofdstad van de Noordelijke eilanden en gelegen op Sao Vicente, moet alles was los kan van het dek verdwenen zijn. We willen niet het risico lopen dat er dingen voor opbepaalde tijd van ons geleend worden zonder dat we dat weten. Alle dure blokken worden opgeborgen. De buitenboordmotor van twee sloten voorzien. De stootwillen hangt Paul hoog in de bezaanmast.
De laatste avond heb ik om half 11 land in zicht. Ik zie vaag lichtjes op donkere bergen. Moeten hoge bergen zijn. We hebben nog 55 mijl te gaan. Als ik om 4 uur mijn wacht weer gaat draaien zijn de bergen al veel groter geworden. Het is een genot te zien hoe het land steeds meer kleur krijgt.
Als ik antennes op een berg zie staan bellen we allebei onze dochters. We vertellen trots van onze reis en horen dat alles kleinzoon en kleindochter goed is. Heerlijk om het kraaien van Emma door de telefoon te horen. Ik vertel mijn dochter dat ik een jurkje voor die kleine meid heb gebreid op deze overtocht. Ze is er blij mee.
We zien veel jachten voor anker liggen. We maken een tochtje tussen alle boten door en gaan voor anker. Heerlijk. Arnold en Coby komen vanmiddag aan. Paul doekt de zeilen op en ik ga de drie vissen schoonmaken, de vangst van die ochtend. De zonnetent wordt opgehangen en we vallen op de kuipkussens in slaap. Om vier uur word ik wakker en zie de Drifter aan komen. Als Paul ze ophaalt met onze bijboot zet ik twee vissen in de rookdoos op het vuur en even later proosten we op de goede oversteek.
Morgen gaan we inchecken. Nu hangt de gele vlag, de quarantaine vlag nog onder de welkomstvlag van Kaapverdië en blijven we aan boord.
We kijken terug op een hele relaxte reis. Onze derde oversteek. De eerste oversteek was heel spannend. We wisten niet wat ons te wachten stond. De tweede was er een van veel leren. Deze oversteek was er een van ons 11e gebod.
Hoe we morgen eerste voet aan wal zetten en van onze belevenissen op dit eerste niet Europese en Afrikaanse land vertel ik in de volgende nieuwsbrief.