Ahoi ahoi

afbeelding van Mariëtta

Een verslag van onze eerste oversteek. Na 10 dagen wachten op goed weer besluiten we maandag, 6 juni de oversteek te wagen. De wind vooruitzichten zien er voor de komende 5 dagen zo uit dat we steeds wind uit het oosten hebben. Dit is de ideale wind voor de Golf van Biskaje. Waarom? Omdat de kust van Frankrijk dan geen lager wal zal worden. Daar wil niemand geraken toch? Om zeven uur halen we het anker op en varen om kwart over zeven de baai van Falmouth uit.De eerste dag is er erg weinig wind en zetten we vaak de motor bij en zo komen we toch aan een gemiddelde vaart van 5 mijl per uur. Langzaamaan wennen we aan het wachtschema. We houden elk steeds vier uur de uitkijk. Moet er iets aan de zeilen veranderd worden dan is dat Paul zijn werk. Moet de inwendige mens vertroeteld worden of het logboek worden bijgehouden ben ik aan de beurt. Maar op de uitkijk staan doen we dus om beurten. Zelf sturen is niet nodig met een elektrisch bedienbare automatische piloot, die we voor de grap Japie noemen en met onze Arie, een windvaanstuurinrichting die goedkoper in de kost is, want hij lust geen stroom. Opeens ziet Paul een dolfijn in het water. Hij roept me en ik snel me naar het voordek en tuur in het water. Ineens zie ik iets lichtblauws, het lijkt wel een krat zwevend in het water. Gelukkig, we varen er net langs af. Geen botsing. Maar opeens zie ik dat het geen blauwe krat is maar de vin van een wel hele grote dolfijn. Het beest is donker van kleur en wel erg lang. Geen dolfijn roep ik, een walvis! Even later laat hij zijn rugvin zien en blaast zijn stoom af. Getver. Ja, dat moet een soort van walvis zijn. Ik heb steeds gehoord dat je walvissen kunt ruiken en als je er eenmaal een geroken hebt je dit nooit meer vergeet. We zwaaien naar het beest, klappen en kloppen op de romp van het schip. De dolfijn van vorig jaar reageerde daar duidelijk op. Dit beest, inmiddels opgezocht in het boek: dolfijnen, walvissen en bruinvissen, waarschijnlijk een gewone vinvis blijft wat rondjes rond de boot zwemmen. Het dier houdt ons wel een half uur bezig. Intussen probeer ik een paar foto's te maken, maar dat valt niet mee. Steeds als ik zijn spuit hoor en zijn vin zie ben ik te laat met knippen. Dan is hij ineens weg. Ik heb de avondwacht van 20 uur tot 24 uur en heb een prachtige zonsondergang. Iets voor middernacht kruipt Paul uit de slaapzak en die is nog lekker warm als ik er even later in kruip. Lekker rustig slapen denk je zeker. Nou, forget it. Een zeilend schip is aan dek relatief rustig maar binnen kraakt en piept alles. Ik moet wennen aan deze geluiden maar dat gaat niet een, twee, drie. Van vier uur slapen komt niet veel. Het schip ligt schuin dus moet ik proberen om met mijn rug tegen een matrasje dat vertikaal tegen de tafel aan gedrapeerd is te gaan liggen. Maar als de boot door een golf opzij geduwd wordt, wordt ik ook wat opzij gezet. Weer gaan verliggen, ik doezel wat weg, maar dan komt de volgende klap. Het zal wel wennen. Het moet. Om vier uur moet ik weer aan de bak. Maar ik wordt pas om half vijf wakker. 'k Heb dus toch geslapen. Oeps, is Paul in slaap gevallen. Te vlug klim ik uit bed en zie dat Paul lekker in een hoekje onder de buiskap is weggekropen met de kookwekker in zijn hand. Dat zit wel goed. Dan voel ik me katterig worden door dat plotselinge opstaan en ben ik blij als ik even later met zeilkleding aan buiten ben. Samen zitten we nog een half uurtje in de kuip. We genieten van de opkomende zon. We zien de Saudade aan de kim. Eerst links van de zon, dan rechts. Die zon reist snel. Dan vertrekt Paul in de slaapzak. De Saudade is de boot van Willem en Jeanet uit Alkmaar die we in Falmouth hebben leren kennen. Zij hebben ook het plan om naar La Caruna te gaan. We hebben een week met elkaar opgetrokken en vertrekken nagenoeg tegelijk uit Engeland. Onderweg hebben we af en toe marifooncontact. Daar zit ik dan, de zeilen staan goed, Paul heeft de motor bijgezet om stroom te draaien. Het miezert en daardoor is het zicht slecht. Om andere schepen te kunnen zien zet ik de radar bij. Op de radar verschijnen vlekjes, streepjes, als er schepen waar te nemen zijn. Door een koerslijn hierop te zetten kan ik na een poosje zien of het schip voor ons dan wel achter ons doorgaat, dat wil zeggen als het vlekje van die koerslijn weg gaat. Blijft het vlekje op de koerslijn en komt het dichterbij het middelpunt, onze eigen boot, dan moet er toch iets gebeuren. Dat gebeurt een paar keer en het gaat goed. Verder is het zitten en kijken naar het water. Er is geen land in zicht. Het is best lekker om zo alleen in de kuip te zitten. Geen Paul in de buurt die veel kletst, is het niet met mij, dan toch met zichzelf. En dan krijgen de gedachten de vrije ruimte. Heerlijk. Allerlei dingen uit het verleden komen voorbij. Tijd om het weer een beter plekje te geven. De tijd gaat hard. Elk uur schrijf ik de positie en andere gegevens in het logboek en zet ik een punt/positie in de kaart. Om acht uur ga ik thee zetten en ontbijt maken en wordt Paul weer wakker. Hij neemt de volgende wacht weer op zich. Na het ontbijt probeer ik wat slaap te pakken tot het tijd is voor koffie. Het lukt. We leven met de klok. Vaste tijd voor ontbijt. Half elf koffie. Rond twaalf uur lunch. Vier uur is theetijd en om zes uur is er gekookt. Paul wast een keer per dag alles af. Hij gaat dan lekker op het achterdek zitten en wordt omringd door zwarte emmers en bakken en de bordjes gaan van de bak naar de ene emmer om daarna nog nagespoeld te worden in de andere emmer. Alles op het droogrek en de wind doet de rest. Achterdekken noemt hij dat. Inmiddels is het 7 juni, de wind neemt wat toe. De motor hoeft niet meer bij te staan en Arie doet goed zijn best. We proberen contact te leggen met de Saudade maar dat lukt niet. De afstand tussen hun en onze boot zal te groot zijn geworden om nog marifooncontact te kunnen krijgen. Omdat het toch wel hard gaat waaien heeft Paul een rif in het grootzeil gezet. Ook wordt de Genua ingedraaid, maar de stormfok blijft staan. We hebben twee stormfokken, de grootste van die twee staat nu op de kotterstag. Ook als de Genua uitgerold wordt staat die fok lekker mee te doen tussen het voorzeil en het grootzeil. Met de bezaan op het achterdek is het een mooi zeilplan. Maar nu dus zeil minderen. De gemiddelde snelheid op dag twee is zes knopen. We hebben gerekend met vijf knopen gemiddeld. Lekker. Maar van achterdekken komt die dag niet veel. Ik ben blij dat ik gisteren al macaronisaus voor vandaag of morgen heb gemaakt. Koken wordt toch lastiger als het zo hard waait. De verwachting is dat morgen de wind nog meer toe gaat nemen dus bewaar ik de prut voor de macaroni voor morgen. Vandaag is het steeds afwisselen van de wacht, de ander gaat dan binnen liggen, want van zitten en je steeds schrap zetten worden we heel moe. We hebben beiden last van zeeziekte. Als ik de avondwacht heb steken we net de shippingline over. Hier kunnen we meer schepen verwachten dan daar buiten. Het wordt lekker druk en ik moet goed opletten. De tijd gaat ook snel. Een keer kan ik niet goed in schatten wat de bedoelingen van een schip is en maak ik Paul wakker. Dat is de afspraak, ik mag hem altijd storen als ik het niet zeker weet. Als Paul weer aan dek is probeer ik in ons bed in de achterkajuit te gaan slapen. Misschien gaat slapen hier beter. Het schip ligt over stuurboord, ik kan dus niet uit bed vallen. Elk uur word ik wakker, ik heb het koud. Het is al weer licht als ik de wacht overneem. Het waait nu wel erg hard. De golven zijn enorm. Wordt dit onze eerste storm? En dan nogwel in de beruchte Golf van Biskaje? De bezaan is weggedraaid omdat Arie daar last van had. De windvaan kon door de bezaan de wind niet goed meer voelen. Paul moet het grootzeil verder reven, en daarvoor moet hij werken op het voordek bij de mast. Hij lijnt zich goed aan en ik neem plaats achter het stuur om de boot eventueel wat meer in de wind te leggen. Het gaat allemaal goed, maar Paul wordt kletsnat. Regelmatig krijgt hij een golf water over zich heen. Dan gaat ineens een van zijn klompen zwemmen. Hij blijft ergens achter steken en Paul kan hem nog net vangen. Door het werken op het voordek is Paul misselijk geworden. Het gezicht van Paul ziet eruit als een spook, helemaal grauw. De natte kleren moeten snel vervangen worden door droge. Als hij beneden is hangt hij al snel boven de wc pot. Hij heeft het koud en kruipt in de slaapzak. Het schip zeilt inmiddels met alleen een dubbel gereefd grootzeil en de stormfok. Het is een spektakel buiten. De boot stuift met een klein lapje zeil met zeven knopen over de golven. Regelmatig worden we bezocht door een groepje dolfijnen. Het zijn kleine dolfijntjes die spelen met de boeggolf en het schip. Ze zwemmen steeds rondjes rond de boot en gaan er onderdoor. Soms zwemmen ze in formatie. Een prachtig gezicht. Ik denk dat ze hier plezier in hebben. Maar dat zou inhouden dat dolfijnen ook emoties hebben. Wat weet ik eigenlijk van deze dieren. Een hele grote golf komt van achter en dreigt te gaan breken. De zon schijnt door die golf, prachtig. En dan ineens zwemt daar een dolfijn door, kan je het je voorstellen, net alsof je door het glas van een aquarium kijkt. Dat zou ik op de foto moeten kunnen zetten. Maar ik ben bang dat mijn fototoestel nat wordt. Ik bedenk dat ik maar eens iets moet fabrieken met een plastik zak om het toestel waar alleen de lens uitsteekt. Als die dan nat wordt en ik de lens meteen afdroog moet dat kunnen. Maar dat moet ik maar gaan maken als we veilig in La Caruna aangekomen zijn. Even later probeer ik toch foto's te maken, ik kan het niet laten. Ik klik links en rechts en ben benieuwd of er wat leuks op staat want van echt richten kan geen sprake zijn. Als we in La Caruna aankomen kijk ik wel wat ik ervan gebakken heb. Inmiddels is Paul weer bijgekomen, hij wil niet meer naar binnen en besluit de rest van de tijd buiten uit te zitten. Ik zeg dat ik dit samen met hem wil doen. Tijdens de avondwacht zet ik steeds de wekker en kijk op de radar of er schepen aan komen. Als er dan schepen zijn doet Paul de rest. Ik moet omdat we met tweeën zijn aan de hoge kant zitten. Na twee uur aan de hoge kant ben ik helemaal gebroken. Ik moet me aan alle kanten vastzetten en vasthouden, met de voeten tegen de andere kant tegenhouden, ik word er bijna misselijk van. Als het twaalf uur is probeer ik in de kuip wat te slapen aan de lage kant. Dit houd ik niet vol en ik ga toch naar binnen en laat Paul alleen achter in de kuip. Binnen ga ik in de slaapzak liggen. Ik slaap weinig omdat ik bang ben dat Paul niet wakker wordt van de wekker. Regelmatig kijk ik door het raampje en zie dat ik meer vertrouwen in hem moet hebben. Eindelijk kan ik wat slapen. Als de dag aanbreekt is er Spaans land in zicht. De wind is hier minder. En kijk de zon schijnt. Eindelijk. Na drie dagen in een zeilpak te hebben gezeten ga ik me omkleden. HÚ, hÚ, de korte broek kan aan, voor het eerst. En het land is niet alleen in zicht, ik ruik het land. Heerlijk, kruidig, naar gras en bloemen. Ik krijg vlinders in mijn buik. Als we de Torre de Hercules in zicht krijgen pak ik mijn uitklapstoel en ga lekker op het voordek zitten breien en geniet met volle teugen van de aankomst. Wat een tocht. Aanvankelijk weinig wind, tweede dag een lekkere wind, de boot zet de vaart erin, derde dag een storm, met windkracht 8, en dan een rustige aankomst in de ochtend van de vierde dag. We hebben het gedaan. We hebben het voor onze kiezen gekregen, en we zijn trots. Nu een paar dagen rust.

Locatie: