Nieuwsbrief december 2005

afbeelding van Mariëtta

We zijn aangekomen na een 8 daagse zeetocht op de Kaap Verdische eilanden. Nadat we uitgeslapen zijn komen Arnold en Coby ons ophalen om met hun dinghy naar de wal te gaan. Daar zoeken we naar ene “Orlando”, uit verhalen maakten we op dat hij een reputatie heeft van een te vertrouwen ‘bootjongen’. Bootjongens passen op je bijboot in ruil voor wat geld of goederen. We zien dat Orlando niet een van jongsten is en een aantal andere bootjongens onder zich heeft. Een van hen is Jozeph. We gaan aan wal. Allerlei mensen komen op ons af. Iedereen wil wat bijverdienen door ons de weg te wijzen. We gaan eerst naar de havenpolitie en vervolgens naar de immigratiedienst. Bij dat laatste kantoor moeten we een inreis stempel voor dit land scoren. Als blijkt dat het kantoor tot 3 uur vanmiddag dicht is zoeken we een terrasje op en genieten van het eerste biertje.
We kijken uit over de baai van Mindelo. De baai is rond en ligt heel beschut. Er is nauwelijks swell. In een boekje lees ik dat de baai ontstaan is uit een krater. Aan een kant opengebroken. Er liggen hier al een paar Nederlanders voor anker en elke dag komen er een paar bij, waaronder veel boten van de vertrekkerslichting van 2005. Mindelo wordt vaak aangedaan om te bunkeren.
Het eiland Santo Antao moet erg mooi zijn en de volgende dag varen Nije Faam en Drifter er heen. Het is twee uur varen vanuit Mindelo. We leggen de boot voor anker in Porto Novo en gaan de volgende ochtend heel vroeg naar de wal. De ferry uit Mindelo is zojuist gearriveerd en er is veel levendigheid op de kade. Mensen en goederen worden op pick-up trucks geladen. Ieder naar hun eigen bestemming. Wij willen na het melden bij de havenautoriteiten met het openbaar vervoer naar Riberia Grande, een dorpje aan de ander kant van het eiland Santo Antao. De weg hierheen is prachtig en een hele belevenis. Het busje waarin we zitten rijdt eerst heel Porto Novo rond om mensen en goederen op te pikken. Op het dak zijn grote zakken met, jawel, Hollandse aardappelen gestouwd. De bus vertrekt pas als die vol zit. Dan gaan we op pad. De bus volgt een slingerweg naar de bergtop. De weg is gemaakt van basaltblokken (kinderkopjes) en lijkt vrij nieuw. Normaal regent het hier zelden, het was meer dan een jaar geleden dat het regende. Het weer is wat van slag. Misschien heb je van de storm Delta gehoord op het journaal, een tropische storm in de buurt van de Canarische eilanden. Door de regen zijn er veel gaten in de weg ontstaan. Soms liggen er ook grote brokken steen die van de berg naar beneden gekomen zijn op. We maken een praatje met een autochtone medepassagier die veel vertelt van de omgeving. Zo laat hij de buschauffeur een paar keer stoppen om ons de gelegenheid te geven de omgeving op te snuiven. We zien grote plantages aangelegd op de bodem van een krater. De bus volgt een weg over een bergkam en we zien links en rechts diepe ravijnen. Onderweg stappen steeds passagiers uit en in. Dan rijdt de bus ineens van de weg af en achter wat huizen een zandweg op. Er gaat van een van de huisjes een achterdeur open en de aardappelen die op het dak liggen zijn op hun bestemming. Met een paar mannen worden de zakken van het dak gegooid, opgevangen en weer doorgegooid. Paul gaat in deze ketting staan en zoals altijd met hem ontstaat er grote hilariteit. “Allez…... hup”. Hoor je het hem al roepen? Leuk. Na een uur komen we aan in Riberia Grande. We bekijken het dorpje en zoeken een koffietent op. Na een poos hebben we genoeg gezien en nemen we een volgende bus naar Punto do Sol. Nadat we dat bekeken hebben gaan we uitgebreid dineren in een restaurantje op de punt van een rots. We kijken uit over de grote Atlantische oceaan. Het is erg tochtig in het restaurant omdat er geen glas in de ramen zitten en de wind uit de verkeerde hoek komt. Maar we laten het ons goed smaken en na een drie gangen menu en nog een borrel na, zoeken we een busje dat ons terug brengt naar Porto Novo.
Jeetje, er rijden geen busjes meer. De laatste is vertrokken om twee uur in de middag en het is inmiddels 5 uur. Over een uur is het donker. Wat nu? Paul en Arnold stappen het Blue Bell Hotel in. Dit wordt gerund door een Kaapverdiaan die 30 jaar in Nederland heeft gewerkt bij de dagbladunie en nu met pensioen is, en dit hotel runt in zijn geboorte dorp. Hij belt een taxi en even later rijdt er een voor Kaapverdiaanse begrippen gloednieuw busje voor. Achter het stuur zit een jongeman. Het wordt al aardig donker. De jonge jongen rijdt als een kamikazepiloot en slipt een paar keer over de blubber op de wegen. Paul maant hem tot rustig rijden maar moet dat een paar keer herhalen. We willen deze tocht overleven. Als we hoger in de bergen komen begint het weer te regenen en wordt de chauffeur bang om te rijden over de weg die op een rivier gaat lijken. Hij stopt, neemt zijn mobieltje ter hand en heeft een voor ons niet te volgen gesprek. Een auto achter ons stopt en kijkt of er iets aan de hand is. Het is een pick-up truck met kratten vis als lading. We nemen het heft in eigen handen en vragen om een lift. Niet comfortabel. Het regent en we zitten op harde bankjes en plastic kratten. Maar beter verkleumd en levend aankomen dan eindigen in het ravijn. We houden ons vast aan de spijltjes die een dakje boven de lading op zijn plek zou moeten houden. Omdat dat vol gaten zitten doen Paul en ik onze regenjackjes aan, maar Arnold en Coby zitten te bibberen in hun t-shirts. Hadden duidelijk niet op regen gerekend. Het is een vermoeiende tocht doordat we ons steeds moeten vast houden, maar de chauffeur rijdt in ieder geval aangepast aan de weersomstandigheden. Die avond zijn we weer een derde wereld land ervaring rijker. Santo Antao is een heel erg mooi en groen eiland. Beslist een aanrader voor de Kaapverdië ganger.
We varen weer terug naar Mindelo en hebben hier nog gezellige dagen met andere Nederlandse boten. In Mindelo tanken we nog diesel en water. Omdat onze bijboot niet op zijn kop op de punt ligt kunnen we hier ook water in tappen. Terwijl we terug varen naar onze ankerplek neem ik een heerlijk ligbad en lees een Libelle van een jaar oud. Paul vaart extra langs wat Nederlandse schepen zodat dit niet ongezien blijft. Lachen.
Het volgende eiland dat we willen bezoeken is Sao Nicolau. Na een dagtochtje laten we een paar dagen voor Sinterklaas hier het anker vallen. Op dit eiland is een stutzpunkt van Transocean. Een Duitse vereniging voor oceaanzeilers. Dit steunpunt is tevens een pensionnetje “Sitaquaria” waar men niet alleen kan eten maar waar ook enkele excursies aangeboden. We maken een wandeling door het dorp en komen zo meer te weten van de mensen die hier wonen. Bijzonder om te zien hoe de huizen, die er aan de buitenkant uitzien alsof ze in aanbouw zijn, grote gezinnen herbergen. En dat er in hun binnenplaatsje dadelbomen, mangobomen en bananenplanten groeien. En dat ik alleen maar lachende gezichten zie. We komen langs de bakker waar ik broodjes kan bestellen. Ik zou graag de bakkerij willen zien, en ik gluur wat door de deur. Ik zie weinig, het is pikdonker. Maar verder kom ik niet. Misschien maar goed dat ik niet alles zie. Het brood wat ik later in ontvangst neem smaakt goed. Die avond gaan we eten in “restaurant” Sitaquaria. Er wordt een feestmaaltijd geserveerd. In al die tijd dat we onderweg zijn heb ik nog niet zo lekker gegeten. Het menu bestaat uit een Italiaanse vissoep, een tussendoortje van stukje gebakken tonijn overgoten met een groente saus, een kipcordonblue, een salade van wortel en cassave met een overheerlijk dressing, rijst en saus en een homemade aardbeienijsje toe.
De volgende dag maken we een rondreisje op het eiland achter op een pick-up truck. In de ochtend zien we de Monte Gorde, de hoogste berg, een prachtige tocht en nemen even de tijd om uit te stappen bij een koffieplantage. We zien hoe een paar mannen het dak van een huis repareren en mogen in hun keuken kijken. De keuken bestaat uit een houtvuurtje en een paar plastic bakken. Hier worden stukjes spek en sardientjes gebakken. We moeten ervan proeven. De mensen zijn erg gastvrij. In de middag gaan we naar een klein bergdorpje en lopen tussen de huizen door op de smalle straten. Hier waan ik me in de middeleeuwen. Ezels sjouwen water en goederen omhoog. Vrouwen en meisjes met manden was op hun hoofd lopen naar het enige watertappunt en spoelen hier hun was. Elk stukje land tussen de huizen wordt benut voor akkerbouw. Ik zie o.a. tabak- en bananenplanten, mais, kool, struiken met voor mij onbekende bessen en bonen. Iedereen groet elkaar. De kleine meisjes poseren met lachende snuitjes voor de camera. In een kroegje van 3 bij 6 meter zitten mannen te kaarten. Een jongetje heeft een houten speelkistje met hierin kiezelsteentjes vast. Ik vraag hem of hij met mij spelletje wil spelen. Ik noem het spelletje “kuiltje kiezel”. Ik ken de spelregels niet maar doe de jongen zo veel mogelijk na. Als ik denk dat ik het spel door krijg, krijg ik commentaar van een engels sprekende man. Wat ik deed met de kiezeltjes was niet volgens de regels. Maar erg was het niet want het jongentje deed ook maar wat, hij kende de spelregels ook niet. Later bleek deze engels sprekende man ook al Nederlands te spreken, had op een schip in Rotterdam gewerkt.
Na het bezoek aan het dorpje gaan we naar een plek aan de kust waar eens lava in zee stroomde. Wat we hier zien is bijna buitenaards. Prachtig. Ik heb veel foto’s gemaakt en ik hoop dat Bert en Esther binnenkort tijd hebben om de foto’s op de website te plaatsen. Want ik wil deze onbeschrijfelijke natuur graag laten zien.
Na het eiland Sao Nicolau willen we ook nog Santiago zien. Het is een tocht van 90 mijl naar het zuiden. Een tocht van zo’n 18 uur. We vertrekken om twee uur in de middag en de reis gaat voorspoedig. Iets te voorspoedig. We hebben halve wind en kunnen met gemak 7 knopen varen. Als we dat doen komen we in het donker bij Santiago aan. Dat willen we niet en minderen daarom veel zeil. Nu hebben we meer deining, maar daar zijn we goed aan gewend. Om zeven uur in de ochtend laten we het anker vallen bij Tarafal de Santiago. Een visserboot komt terug van de vangst en gaat langszij een ander visserschip liggen. Vanuit het dorpje komen jongens met lange roeiboten naar deze schepen. Ik hoor ze hard schreeuwen naar elkaar en zie dat ze met van alles in de weer zijn. Ik neem aan dat ze geen ruzie hebben maar elkaar steeds verslag doen waarmee ze bezig zijn. Later gaan roeiboten vol vis naar de wal. Inmiddels zijn wij met onze dingy naar de wal geroeid. Dat viel door de hoge golven nog niet mee maar alles ging goed. Als we om de breakwater roeien zien we dat de kade zwart ziet van de vrouwen. Die staan daar in al hun kleurenpracht met lege manden te wachten op de vis. Een prachtig tafereel. We drinken een kop koffie op een hoog terras en genieten van dit schouwspel. In Santiago is het veel Afrikaanser dan op de andere Kaapverdische eilanden. De volgende dag nemen wij samen met Arnold en Coby de aluguer (busje voor openbaar vervoer) naar Assomada. Hier is vandaag een Afrikaanse markt. De weg er heen is prachtig. We rijden het stadje in en zien langs de kant van de weg al meteen diverse slagers aan het werk. Complete karkassen van koeien en varkens hangen aan stellages en worden uitgebeend gewoon midden op straat. Hoezo hygiëne? Geen tegelvloer op de grond. Gewoon zand. Veel vliegen op het vlees. Aan het eind van de middag zal er wel niet veel meer over zijn van die beesten. We stappen uit in het centrum en na een kop koffie lopen we over de markt. De meeste kooplieden zitten op de grond en hebben hun waar uitgestald op een doek. Om twaalf uur gaat de school uit en zien we ineens veel blauw op straat. Voor de school worden grote speakers neergezet waar swingende muziek uit komt. Alle scholieren blijven lang op het plein voor school hangen. We gaan er ook zitten. Het woord Jezus komt vaak voor in de liedjes die we horen en ik neem aan dat het een halleluja school is. Het klinkt in ieder geval erg harmonieus.
We willen een andere weg terug nemen naar Tarafal en hebben in totaal 4 keer een andere aluguer. Het openbaar vervoer is hier perfect. De minibusjes rijden op tijd. Geen lange wachttijden. Geen stakingen. Geen kapotte bovenleidingen. Geen wisselstoringen. Gewoon veel volkswagenbusjes met vier banken achter elkaar. Een bijrijder die schreeuwend vanuit het raam klanten werft en in de busjes plaatsen toewijst. Op elke bank kunnen vier mensen ook al vind ik drie genoeg. Als iemand op bank 4 moet gaan zitten moeten en van bank 3 en 2 zitjes opgeklapt worden om toegang te verlenen. Tussen het zitje en de aansluitende bank is een spleet van 20 cm. Ook op die spleet is een zitplaats gepland. Ik heb er zelf gezeten. Goed dat je dan klem zit tussen de anderen. Niet alleen mensen maken gebruik van het openbaar vervoer. Ook dieren nemen hier de bus. In onze bus zat een kip. Ook zien we iemand met vier autobanden in de bus zitten. Een ander heeft grote vaten voor drinkwater of olie. Als een busje stopt om iemand uit te laten stappen wordt er net zo lang rond gereden tot de lege plaats weer vol is. Dat duurt nooit erg lang. Intussen zien we steeds de prachtige natuur en zien we hoe de mensen hier wonen.
De volgende dag hebben we ineens veel meer swell in de baai. De wind komt van het land en door de swell zijn er hoge golven. Paul en ik willen naar de wal en we bespreken hoe we het beste aan land kunnen gaan. Zodra we in de buurt van de wal zijn moeten we de kont van de bijboot het eerste op het strand laten landen. Aan het eind van de breakwater ligt een rif waar golven overheen breken. We moeten meteen na die brekers snel achter de breakwater zien te komen. Vanuit ons bijbootje zijn die golven wel erg hoog en we surfen veel te snel richting strand. Een groepje negers staan te kijken en gebaren dat we hier niet al wal moeten. Dat willen we ook helemaal niet. Maar soms gaan de dingen anders dan gepland. Een golf neemt ons te grazen. Boot kapseist. Wij vallen uit de boot en maken een koprol in het water. Ik heb in mij ene hand het touw van de boot en in de andere de rugzak. Als ik boven kom ben ik mijn zonnebril kwijt. Ik zie Paul naar zijn hoed graaien. De mensen op het strand zijn ons behulpzaam. Ze trekken de boot mee op het strand. We wringen ons een beetje uit en gaan op een terras koffie drinken en uitdruipen. Wat we uit kunnen trekken hangen we op stoelen te drogen. Daarna gaan we onze boodschapjes doen.
Rond de kerst willen we in Dakar zijn. We wachten goede wind af. Die komt er nu aan. Daarom hebben we besloten om morgen te vertrekken. Dat houdt in dat we nu inkopen moeten doen voor een kleine week en al onze laatste Kaap Verdische Escudos op te maken. Inkopen doen vlak voor we vertrekken doe ik al vanaf dat we in Nederland vertrokken. Iedere keer weet ik wat ik kan krijgen en ben ik niet zeker van het assortiment op de volgende plaats. Ik probeer steeds de voorraad aan boord op peil te houden. En elke keer als we op een andere plaats aankomen valt het me weer mee wat er te krijgen is. Toch zie ik op de Kaap Verden voor het eerst dat de winkels heel anders worden. Een winkel (mercado) heeft een voor mij niet te begrijpen assortiment. Borduurgaren (in maar enkele kleuren) naast de boter, plastic bakjes naast het meel en dan weer een voorraadje schroefjes. Groenten worden op straat verkocht door vrouwen met gekleurde manden. Ik koop uien. Ik moet goed voelen of ze wel hard genoeg zijn. Bij een andere vrouw koop ik aardappelen. Weer bij iemand anders bakbananen. De tomaten van de volgende vrouw vind ik te zacht en ik moet haar teleur stellen door niks te kopen. In de mercado koop ik nog wat brood, een pompoen en een soort komkommercourget. Dan hebben we nog 2000 escudos over. Bij een Italiaans restaurant maken we een deal, we willen die avond komen eten voor die 2000 escudos, de kok mag zelf bepalen wat hij kookt. We roeien terug naar onze boot en kloppen even op de Drifter om te vertellen van de afspraak bij de Italiaan. Ze gaan mee. We spreken af met één bijboot te gaan, die van hun. Om kwart voor acht vertrekken we met de bijboot. Arnold en Coby hebben een opblaas bijboot met hulpmotor. Als we in de buurt van het strand komen zet Arnold de motor uit. Veel te vroeg. Coby en ik moeten er het eerst uitspringen. Maar het is nog veel te diep. Ik zet een been op de grond maar blijf met mijn andere achter een touw hangen. Plons. Getver. Weer ben ik kletsnat. Even later staan we met vieren op het strand. Iedereen in zijn mooie kleren en ik in natte. Ik weet een watertappunt achter een ander restaurant en douche daar het zoute water van me af. Dan doe ik alle kleren uit, trek een trui van Coby aan en sla een omslagdoek om mijn buik. Nou, dan zo maar het restaurant in. Het eten smaakt er niet minder door. De volgende dag maken we ons klaar om te vertrekken. Paul ruimt alles aan dek op. De dubbeldaks zonnetent moet weg, de generator opgeruimd, zeilhuiken eraf, lierhandels klaarleggen, bijboot op het voordek enz. Ik maak binnen alles in orde en kook voor drie dagen. Dat koken voor een paar dagen is ook traditie als we vertrekken. We weten van te voren dat we katterig zullen worden en juist dan is een kant en klare hap onmisbaar. Ik kook aardappelen en wortels en bak er wat stukjes kalkoen bij. Dat is voor nu, voor we vertrekken. Voor de komende dagen maak ik een tortilla van gekookte aardappelen, een mix van allerlei groenten en eieren. Deze is zowel warm als koud smakelijk. Na al het werk douchen we ons af op het achterdek. Douchen is een luxe woord, we gebruiken de puts en gooien zeewater over ons, snel shampoo in de haren en een duik in het water. Daarna afspoelen met een kommetje zoet water.
Om drie uur in de middag zijn we zover. We kunnen vertrekken. Naar Dakar is het een kleine 400 mijl. We halen het anker op maar er blijkt een net om de ankerketting te zitten. Met een mes snijdt Paul het net in stukken. Om half vier varen we dan de baai uit. We zetten meteen de zeilen, de kotterfok, het grootzeil en de bezaan. De Genua gebruiken we niet want we verwachten flink wat wind en moeten waarschijnlijk alles aan de wind zeilen, geen prettige koers.
De te verwachten katterigheid steekt direct de kop op. Als die eerste twee dagen nu maar snel voorbij gaan. Ik begin ook flink te snotteren. Zal wel een verkoudheid opgelopen hebben door die natte kleren.
We beginnen meteen met ons wachtsysteem van vier uur op en vier uur af. De rest wordt voorlopig gewoon uitliggen. Iets anders doen gaat niet. Als ik Paul de volgende ochtend om 8 uur wakker maak staat op de GPS dat we nog 311 mijl te gaan hebben. Ik maak thee en ga snel liggen. De verkoudheid neemt toe, ik lig naast een bak uien en het water loopt mijn neus uit. Het waait nog steeds hard en de koers is aan de wind. Om 10 uur hebben we radiocontact met de Drifter. Gezellig om hen even te horen. Deze ochtend hoef ik geen koffie te zetten. Ik heb er geen trek in. Van lezen komt ook nog niet veel. Ik heb niks meer te breien, Susanne je moet wel wat uitzoeken voor die kleindochter van me. Wel maak ik Sudokopuzzels.
Ineens ziet Paul een groot vierkant wit vlak met twee zwarte hoeken het water uit springen. Het ging heel snel. Het vloog een meter of drie het water uit. Wat zou dat geweest zijn? Een grote mantarog die achterna gezeten werd? We hebben nog een tijdje gekeken maar het heeft zich niet herhaald. Tegen de avond krijgen we een beetje trek en eten we een stukje koude tortilla.
De volgende ochtend staat er nog 181 mijl op de GPS. We zijn dus flink opgeschoten. Als we zo door gaan kunnen we Dakar morgen bij daglicht aanlopen. Maar helaas gaat de wind wat liggen en laat in de middag is de wind op. We zetten de motor aan. Het wordt dan snel warm. Paul komt, terwijl ik onderdeks aan het typen ben, de muskietennetten dichtmaken. Hij heeft boven al drie vreemde sprinkhaanachtige vliegbeesten dood gemept. We wisten uit verhalen dat dit eraan zat te komen, dat hoe dichter we bij de Afrikaanse kust zouden komen er meer vliegend spul aan boord zou komen. De temperatuur binnen loopt direct op. Ik zie nu al 29,2°C op de thermometer staan.
Dan zien we de eerste dolfijnen van deze reis. Altijd weer leuk. Zij komen vaak zwemmen in de boeggolf als de motor aan staat. We gaan meteen naar het voordek en zwaaien naar de dolfijnen. Het is een groepje van 8 dolfijnen. Ze zwemmen in formatie (van twee of drie) onder de boot door, duiken, draaien, zwemmen ineens om een hoek om iets later weer terug te komen. Als we naar het achterdek terug gaan zijn ze snel verdwenen. We beginnen ons weer wat lekkerder te voelen en komen toe aan lezen. Voor deze oversteek heb ik weer een Mankell bewaard.
Rond middernacht neemt de wind iets toe, het waait 12 knopen. We moeten nog 58 mijl. Het zal erom hangen of we bij daglicht aan kunnen komen. Als we om 10 uur weer contact hebben met de Drifter blijkt dat we flink op ze uitgelopen zijn. Zij moeten nog 20 mijl meer. Voor hen wordt het zeker nachtwerk. Vandaag zet ik weer eens koffie en hij smaakt heerlijk.
Dan zien we zien linksvoor de boot iets groots, zou dat een walvis zijn? Nee, weer dolfijnen. Maar ze zwemmen wel heel anders. Het zijn grienden roep ik. Mooi man. Het is een groepje van een stuk of 8. Een paar grienden (of Pilotwales) gaan voor de boot langs maar de andere, waaronder een met een jong maken een koerswijziging en gaan achter de boot langs, onder onze vislijnen door.
Ja, we hebben twee vislijnen uitstaan. Na een poos ratelt de molen van de hengel. Er hangt een hele grote vis aan. Maar als Paul de lijn in haalt wordt de druk ineens veel minder. Weg vis. Maar ook weg vangvisje. Ons meest succesvolle vangvisje is verspeeld. Jammer. Het moet een hele grote vis geweest zijn, want de voorloper van rvs draad is doorgebeten . Helaas verspelen we deze reis nog een ander vangvisje.
Om kwart voor twee in de middag zie ik ineens land en roep: Land in zicht! Dakar ligt op een vlak schiereiland maar op de punt zijn twee heuvels. Ik ga naar beneden om een panpizza te maken. Paul roept boven wat en ik denk dat hij met dolfijnen aan het praten is. Maar ik wil nu eerst de pizza af maken dus ik reageer niet. Dan roept hij ineens keihard. Er zijn allemaal mensen om de boot, pak het pistool. Ik leg het pistool kaar en doe wat kleren aan en kom boven kijken. Dan zie ik twee prachtige vissersboten, lijken wel lange smalle kano’s. En ik hoor dat de vissers om water gevraagd hadden. Paul heeft ze een fles water gegeven. Inmiddels varen ze weer een eindje achter de boot. Ja, je weet het niet, het kunnen natuurlijk ook piraten zijn. Maar dit waren gewoon dappere vissertjes die met een houten bootje toch 20 mijl uit de kust varen om vissen te vangen. Als ze mij zien met mijn fototoestel komen ze weer wat dichterbij en ik zie in elke boot een hele grote zwaardvis liggen. Ter plekke krijg ik nog meer ontzag voor ze. Dat ze met zulke beperkte middelen zo’n vis kunnen vangen. Ons aas zal wel in een zwaardvis zitten.
Aankomen is leuk. We zien het land steeds groter worden. We ruiken het land. De gebouwen beginnen zich van elkaar te onderscheiden. Een grote moskee aan het strand, grote toerenflats op de achtergrond. We moeten om het schiereiland heen en dan nog om het eiland Goeree om in de anker baai te komen. Boven een deel van de stad hangt een hele donkere wolk. Eerst denk ik dat het smog is, van de avondspits, maar dan gaat het stinken. Het lijkt wel kamelenzeik. De Harmatan komt eraan, een zandstorm. Snel doen we de luiken dicht. Na een half uur is de lucht geklaard. Weer iets voor de eerste keer gezien. (en geroken) We varen met de schemer voorbij Goeree. Die naam zal wel door de Nederlandse slavenhandelaren gegeven zijn. Op het eiland Goeree werden de slaven verzameld voor ze verscheept werden naar de overkant van de oceaan. Hier gaan we komende week zeker een bezoekje brengen. Dan is het donker. De maan is er nog niet en we zien niet veel. Met hulp van de laptop met electronische kaart kunnen we toch de ankerplek vinden. Voor de zekerheid ga ik voor op de punt staan met een zaklamp en scan om de 15 seconden het water af. Maar goed, want we varen vlak langs een visboeitje en we zien op tijd een vissersbootje wat daar onverlicht dobbert. Om 8 uur laten we het anker vallen.
Morgen, als het licht wordt zullen we pas kunnen zien hoe onze omgeving er rond de kerst uit zal zien.