Reisnotities van Jasper Mikkers, deel II

afbeelding van Jasper

Om half negen komt hij naar me toe. ‘Er staat een vrachtauto klaar. Jij mag in de cabine. Het kost 300 dalassi (9 euro). Goed?’ Ik loop mee. ‘Waar is het geld? Dank je. Ik zorg voor de betaling. Snel, want dadelijk komen al die anderen die mee willen. Zet je bagage neer en ga zitten.’ Gaan zitten? Ik zou in de cabine mee mogen. ‘Nee, er is geen plaats meer, hoor ik nu.’ Ik ga op het reservewiel zitten in de laadbak, tegen de achterkant van de cabine. En op dat moment wordt de auto overstroomd met mensen, enkele minuten later zit ik bekneld tussen 40 Gambianen: vrouwen met baby’s, volwassenen, een oude man zit rechts tegen me aan, de spreekwoordelijke kippen zijn ook van de partij. Na officiële toestemming op papier van de politie verlaat de auto het stadje, door iedereen verbijsterd en lachend nagekeken. ‘Dit gebeurt hier nooit,’ zegt de Gambiaan naast me, ‘reizen in een vrachtauto. Het is niet te geloven, en ik zal het nooit vergeten.’ Ik zit ingeklemd, zoals iedereen, bewegen is uiterst moeilijk.
Veertien uur bonken we door kuilen, hellen over naar links, naar rechts, alles aan de auto kraakt, het ijzeren staketsel met het zeil waar honderden kilo’s bagage op gestouwd is, schudt en trilt en kan, meen ik vast te kunnen stellen, elk ogenblik boven afbreken en naar beneden komen, de gelaste punten zijn bezig opnieuw af te breken, de stangen buigen door, ik wijs erop, maar de chauffeurshulpjes halen hun schouder op. Ik overweeg bij een stopplaats uit te stappen en te kijken of ik ander vervoer kan krijgen, maar stap toch weer in en geef me over aan het lot. Af en toe bieden meisjes in stadjes of langs de kant van de weg jamjam aan, sinaasappels, water. Bij de eerste de beste gelegenheid koop ik twee kleine partijen bananen en deel die om me heen uit. Zo, ik zit gebeiteld. Ik kan op steun rekenen als de nood aan de man komt. Ik knipoog naar een meisje met een fijn gitzwart gezichtje en mooie oorsieraden dat een paar meter verder zit en me, onder de arm van haar moeder door kijkend net kan zien. Ze knipoogt terug. Ik knipoog met het andere oog. Ze knipoogt ook met het andere oog. De hele tocht knipoog ik en trek rare gezichten, en ze doet haar uiterste best me precies te imiteren.
Het is half elf ’s avonds als de bus in Brimaka aankomt. Ik heb besloten daar uit te stappen, omdat het dichter bij Marakissa is dan Banjul. In Marakissa moet ik de volgende dag zijn, om Adama Jirju te bezoeken, en de projecten te bekijken die een bevriende Tilburger, de journalist Toine van Corven, daar heeft opgezet. Ik had gehoopt Adama onderweg ergens te kunnen bellen, om te zeggen dat ik hem kom bezoeken, de 26e, maar ik heb mijn mobiel in Nederland achtergelaten en een mogelijkheid tot bellen was er niet.
Met de Gambiaan die naast me zat, neem ik een taxi en laat me naar twee hotels brengen: het een is een lawaaierig bordeel en het andere is vol. De Gambiaan neemt afscheid en ik word door de chauffeur naar een bungalow-hotel kilometers buiten de stad gebracht. Het is mooi, maar relatief duur, drie keer zo duur als het bordeel, 900 dalassi’s, maar naar Europese begrippen nog spotgoedkoop: 18 euro. De chauffeur wacht en als ik mijn spullen naar mijn eigen bungalow heb gebracht, rijd ik met de taxi terug naar Brikama en ik vraag de chauffeur me naar een gezellig café te brengen. Hij zet me af bij Domorr Ceeda, het hotelletje dat vol was - en dat als enige in Lonely Planet vermeld staat, met als bijzonderheid dat de eigenearesse heerlijk kan koken -. Het is er rustig, terwijl het personeel kijkt naar een dvd met een komische Senegalese film, drink ik een flesje Guinness leeg en bestel een tweede. Het is heerlijk zo moe te zijn en op het gemakje flesjes Guinness leeg te gieten. Er wordt kip opgediend voor personeel en Jim, de eigenaresse en ik word uitgenodigd toe te tasten, maar dat vind ik net iets te hebberig. Ik lust wel wat, daar gaat het niet om, maar om nou, nee, ik laat de kip toch maar door henzelf opeten. Wacht maar, tot ik morgen terugkom. Dan zul je wat zien.
Om één uur stopt de taxi weer voor het hotelletje en rijd ik naar Farato, bungalow-hotel. Ik giet in de douche kommen koud water over me heen, er is geen stromend water, ga onder de sprei liggen die me als deken is meegegeven, sta op en leg ook de half natte badhanddoek over me heen, grijp de flacon Jameson die, mijn trouwe bedgenoot, er altijd voor zorgt naast het kussen binnen handbereik te liggen en neem een paar kleine slokken. Zal ik nog wat lezen, in De Mississippië.
Ik word om zes uur nog wakker door het galmend zingen van de imam, maar slaap weer in. Om zeven uur klopt de eigenaar op de deur, ik houd me dood, om half negen opnieuw: ‘Ik dacht dat u thee wilde. Mijn vrouw heeft gezegd dat u… O, sorry.’ Ik ontbijt, eigenaar Pa William bakt een ei met tomaat en ui voor me, ‘doe ik altijd zelf, je weet anders niet wat ze ervan bakken, het personeel’, hij vertelt dat hij 30 jaar in Zweden leefde, vanaf zijn kindertijd, beroepsmilitair was, maar uiteindelijk toch weer terugkeerde naar Gambia. ‘Maar ik wil een reis door Europa maken, om uit te blazen. Ik ben kapot, elke keer mijn personeel moeten toespreken dat het zo niet kan, ze snappen er niks van, ik ben bekaf, kan ik ook niet bij jou langskomen, dan, dat lijkt me leuk, blijf je tot morgen, morgen vertrek je?’ ‘Nee, ik heb een kamer besproken bij Domorr Ceeda.’ ‘Nou weet je wat: ik nodig je uit. Je kunt gratis in het hotel overnachten. Je betaalt alleen het ontbijt en bier.’
Ik bel Adama Jarju, in Marakissa. Hij neemt niet op.
Om elf uur stopt mijn chauffeur bij het hotel. We drinken koffie bij Jim in Brimaka en rijden naar Marakissa. Daar word ik gastvrij ontvangen. Adama blijkt net over de grens in Senegal te zijn waar hij een vissersboot bouwt. Deze boot is één van de projecten van Toine. De hele familie woont in meerdere huizenblokken samen, vader en zijn twee vrouwen, de kinderen, neven en nichten. Adama’s vrouw zet me in haar woonkamer drinken voor, laat sinaasappels halen, geeft me een stuk jamwortel. Ze is eenentwintig en heeft een baby van acht maanden die Mohamed-Toine heet, naar Toine van Corven. De diverse familieleden komen zich voorstellen en verdwijnen weer. Ik krijg Adama aan de mobiel. Hij vindt het erg jammer dat hij mij niet kan ontmoeten. De verbinding valt voortdurend weg. Een broer van Adama komt binnen en zal me rondleiden langs de projecten die ik wil zien. We bekijken de watertoren die het dorp van een aantal waterpunten voorziet en in een essentiële behoefte voorziet. We wandelen naar de womensgarden, de vrouwentuin, een mooi omheind tuinbouwterrein dat degelijk omheind is, verdeeld in vele lapjes met voornamelijk een jonge aanplant van uien die van water voorzien worden uit zes of zeven pas geslagen putten die zo diep zijn dat ik er nauwelijks in durf te kijken. Ik vertel Adama’s jongere broer dat ik al als kind niet in een put mocht kijken, omdat er een mannetje in elke put woont die een wandelstok heeft die hij met het kromme eind om de nek van degene slaat die naar het water kijkt en hem in de put trekt.
Het is vier uur als ik afscheid neem en aan een wandeling terug naar Brikama begin. Ik kan een bushtaxi nemen die me in tien minuten terugbrengt, maar wil op deze laatste dag lopen om al het zichtbare, alle geuren en het licht en de warmte in me op te kunnen zuigen. En het is heerlijk in mijn eentje over de brede stoffige weg van rode aarde te lopen, de lucht en de bomen te zien, een eenzame hardloper tegen te komen, een fietser. Wie me aanklampt, stuur ik door. Even geen tijd. Ik loop als in een roes en passeer zonder het te merken zelfs Jim’s restaurant waar ik wilde gaan eten. Ergens stroomt een zaaltje leeg waar Gambianen keken naar een wedstrijd uit de Africancup.
Ik eet kip met rijst aan een tafeltje aan de straat, de levendigste straat van het stadje. Terwijl het donker wordt, zit links een kleermaker te werken achter een machine of zijn leven ervan afhangt, schuin tegenover me is een cd-zaak waar reggae wordt gedraaid, tegenover me volbrengt een garenverkoper gymnastische oefeningen met de neus naar Mekka, rechts vervaardigen plaatwerkers met hamer en lasapparaat blikken deuren terwijl een permanente stroom voorbijkomt in kleurige kledij. Jim brengt in haar opgelapte Mercedes iemand naar huis. ‘Ik ben zo terug.’ Naast me is Opa Langzaam, een kunstschilder met halve wenkbrauwen en kaal hoofd uit een gehucht van twaalf huizen bij Groningen, aangeschoven met een fles bier. Ik hoef nog geen bier, maar hij zet toch een fles voor me neer en begint met vertellen en houdt niet meer op. Over Senegal, zijn acties om geld te vinden voor een ziekenhuis en andere objecten, en Gambiaanse vrouwen. Terwijl hij stelt dat Gambiaanse vrouwen wonderlijke wezens zijn en dat staaft met voorbeelden, zie ik ze voor me voorbij lopen en probeer voor mezelf een beschrijving van ze te geven. Hun anatomie of fysiologie wijkt sterk af van de westerse vrouw. Ze zijn uiterst fijn gebouwd, slank en onwaarschijnlijk smal in de heupen. Het lijkt uitgesloten dat ze kinderen kunnen baren, maar jawel, in een draagdoek op hun rug hangen baby’s met, gezien de nauwte waardoorheen ze geperst zijn, angstwekkend grote hoofden. Doordat ze zo slank zijn, kleedt een om het hele lijf geslagen doek hen prachtig. Ze lopen gracieus, met kleine stappen, rechtop, voor zich uit kijkend. Als ze hun mooiste kleed dragen, sieren ze tegelijk hun hoofd met een passende hoofdtooi, een sierlijk gevouwen doek van dezelfde stof. Ze hebben iets van een vorstin. Hun borsten hebben een afwijkende vorm. Als de meisjes nog net geen vrouw zijn, staan de borsten als kwart manen stevig naar voren en duwen de kleding van zich af. Maar de borsten groeien verder naar voren, als langwerpige ballonnen, bezitten daarvoor te weinig stevigheid en leggen zich plat neer op de borst. Ze zijn nogal in zichzelf gekeerd, zo sterk zelfs dat ze volstrekt leeg in het hoofd lijken. Misschien is een afwerende houding, misschien ook staan ze weerloos tegenover de directheid die westerlingen aan de dag leggen. Ze kijken me soms bijna verbijsterd aan, als ik ze aanspreek, glimlachen, luisteren en wachten tot ik verder ga met tegen ze te praten. De oudere vrouwen, met levenservaring, reageren wel en zijn vrolijk en lachen veel. Ze krijgen zeer jong kinderen, Gambiaanse meisjes. Het lijkt of dat de enige levensvervulling is die voor ze weggelegd is: een man en een gezin. Soms zijn ze één van de vrouwen van een man. Vier is het maximum dat een man aan vrouwen mag aanschaffen.
Ik zit en luister half naar Opa Langzaam en voel het donkerder worden en de tijd opdrogen, de uren die ik hier nog heb in De Gambia. Ik neem afscheid van Jim en besluit terug te lopen naar het hotel, een kilometer of vijf. In het volstrekte duister. Maar als ik naast de weg een bushtaxi ontwaar die dezelfde kant uitgaat, stap ik in.
In bed lees ik, af en toe een slok Jameson nemend, verder in De Mississippi. Ik reis eigenlijk dag en nacht, in twee verschillende continenten. In werkelijkheid door Afrika, in de verbeelding via een boek door de VS.
De volgende ochtend laat ik me door een bestelde taxi naar het vliegveld brengen. Het vliegtuig vertrekt tien minuten te laat, omdat ik denk dat ik mijn leesbril, hulpmiddel bij het lezen in De Mississippi, in het vliegveldrestaurant heb laten liggen. Maar die wordt niet gevonden.
‘Geen bril, helaas. We vertrekken,’ zegt de steward. Als ik later mijn leesbrilkoker open, blijkt de bril er zich uit eigen beweging in weggelegd te hebben. Zo kom ik op het allerlaatste moment toch nog in aanraking met Afrikaanse toverij.

Locatie: