Nieuwsbrief mei 2009

afbeelding van Mariëtta

Als ik het blaadje van 1 mei van onze door Klazien opgestuurde Gerardus Scheurkalender scheur lees ik op de achterzijde gegevens van het KNMI van de warmste, koudste, droogste en natste meimaand sinds de metingen van dit instituut. Ja, het kan zo nu en dan in Nederland flink regenen. Maar ik zal er na deze reis nooit meer over klagen. Patagonië, en zeker het gebied waar wij nu zijn kan hier nog een flink schepje bovenop doen. Valt er in Nederland gemiddeld 750 mm per jaar, hier 4000!!!mm. Ja, je leest het goed, geen nulletje teveel.

Soms vraag ik mezelf: Wat doen we hier eigenlijk?
Ik zal eens een begin van een ochtendje uit vele omschrijven.
De wekker gaat om 7 uur. Het is nog stikdonker. Paul gaat er als eerste uit en steekt de kachel aan. Dan kom ik eruit en zet thee en zet ook de navigatie instrumenten aan. Paul trekt zijn warmte ondergoed aan en direct hier overheen zijn oliegoed. Dat oliegoed is al jaren oud, vroeger gekocht bij de boerenbond, bedoeld voor in de tuin, van ongekende goede kwaliteit. Groen weliswaar, niet echt nautisch, maar ach, we hoeven er ook niet mee op de catwalk van een of andere marina te pronken. Ik doe het deklicht aan. Paul hoost de bijboot leeg. Zo’n 60 liter regenwater gaat of in de tank als afwaswater of direct overboord. Met een koplamp op roeit Paul langs een lange lijn naar de wal en haalt bij de boom de knoop uit de lijn. Na het zetten van de thee, hijs ik me ook in het rubber, ik gebruik een visbroek, broek en laarzen aaneen. Ik trek een oud zeiljack er over en kom ook aan dek. In de druipende regen prop ik de losse lijn in de daarvoor bestemde zak. Tegen de koude nattigheid draag ik huishoudhandschoenen. Paul klimt aan dek, heeft de andere lijn ook al los gemaakt, hijst de bijboot aan boord en knoopt die stevig vast op het voordek. Het wordt een beetje licht. We drinken snel een kop warme thee. Ik hang mijn druipende overkleding over een bankje en ga naar binnen om het ontbijt verder klaar te maken. Paul knoopt alle zakken met lijnen vast aan de reling en zodra de buitenboel een beetje aan kant is wordt de motor gestart. Als ik dat geluid hoor ga ik naar het vooronder, open het luik waar de ketting in komt als we ankerop gaan. Als Paul “Klaar?” roept, roep ik “Klaar!’ terug, heb inmiddels andere rubberen handschoenen aan om de ketting naar binnen te trekken. De ketting moet binnen zorgvuldig in de kettingbak gedrapeerd worden zodat deze vanavond weer zonder kinken kan uitlopen. De techniek die ik vroeger in mijn textieltijd opgebouwd heb, komt hier goed van pas, toen mocht immers de wol ook niet haperen bij het invoeren in de breimachine of het weefgetouw. Regelmatig stopt Paul even met het ophalen van de ketting, kelpplanten slingeren zich graag om de ketting en worden met een sikkelvormig mes aan een steel van de ketting gesneden. Zodra de hele ketting binnen is kom ik weer naar buiten en neem plaats achter het roer. Ik vaar de boot langzaam de caleta uit terwijl Paul het anker vastbindt op de voorpiek. Het is inmiddels voldoende licht om veilig te kunnen navigeren. Dan verwisselt Paul zijn oliegoed voor wat dikkere kleding. Zijn ochtendgymnastiek is achter de rug. Zodra hij warm aangekleed is, neemt hij het roer van mij over. Ik duik weer de warme hut in, zet de kachel uit en smeer broodjes of maak iets anders als ontbijt. We zijn op weg naar de volgende ankerplek en leggen zo’n 30-40 mijl onder Zweedse vlag af, VolGo Penta heet ons ijzeren zeil. En dat in de alsmaar neervallende regen. Niet voor niets heeft dit land zoveel verschillende woorden voor regen. Naast gewone regen zijn er buien, er is dikke regen, dunne regen, koude regen, warme regen, miezerregen, lange regen, korte regen om nog maar te zwijgen over de varianten hagel, mist en sneeuw.
Twee dagen na Pto. Edén draaien we Caleta Lamento del Indio in. Een smalle ingang in het regenwoud opent een prachtige baai met diverse eilandjes. Het water is spiegelglad, en reflecteert de contouren van de weelderig groene eilanden. In gedachten zie ik indianen in hun van takken en zeeleeuwenhuiden gemaakte kano’s om de hoek verschijnen. Zou dat komen door de naam van deze caleta?
Na het uitbrengen van het anker sjort Paul de boot goed vast aan vier lijnen. “Zo! Nu kunnen we veilig een goed weerwindow afwachten om Golfo de Peñas te kunnen oversteken, we liggen als een huis!” “Dat zal niet lang duren” vertel ik Paul.
De weersvoorspellingen houd ik namelijk bij en ik zie dat we eigenlijk morgenochtend al verder kunnen. Paul is enigszins teleurgesteld. Hij had hier lekker willen rondscharrelen met de bijboot tussen die eilandjes. Maar het window wat er aan komt laat dat niet toe. Al een paar dagen hadden we erg rustig weer met nauwelijks wind, de swell op de oceaan zal flink bedaard zijn. De gribs beloven ons eerst wat zuidoosten wind, dan draait de wind langzaam naar zuid en later verder naar west. Als we geluk hebben blijven we wind in de rug houden. En zo gebeurt het ook.
Bij het krieken van de dag varen we Canal Messier uit, Faro San Pedro (vuurtoren) voorbij. Ik neem contact op met de vuurtorenwachter en vraag voor de zekerheid om een weerbericht. Omdat de wind zuidoost is maar later naar zuid zal draaien blijven we lang in het ondiepe deel aan de zuidkant van de Golf. Laat in de middag duiken we het continentale plat af, van 80 meter diep varen we nu op twee tot drie kilometer diep water. We verleggen de koers naar noordwest en varen in de nacht op 15 mijl afstand voorbij Cabo Raper. De deining is toch nog enorm maar niet onaangenaam. De wind draait met ons mee. Ik meld me bij de vuurtorenwachter van Cabo Raper. Hij wenst ons een goede nacht en zachtjes glijdt Nije Faam onder vol zeil langs de rotsenkust die Golfo de Peñas omkrult. - Deze kust bestaat net als het gebied wat we net verlaten hebben uit vele diepe inhammen, het is een aaneensluiting van schiereilanden. Alacuf- en Mapuche indianen hoefden niet buitenom te varen. Zij konden, als zij zich van zuid naar noord en visa versa bewogen gebruik maken van die diepe inhammen. Hun kano’s werden dan aan het eind van het fjord het water uit gesleept en op een sleephout over een dal tussen de bergen getrokken om slecht een paar kilometer verderop hun waterweg te vervolgen. Zo konden zij de gevaren van Golfo de Peñas omzeilen. Deze sleepwerktuigen zijn hier en daar nog te vinden, kanoërs die we tegen kwamen verhaalden hierover. Misschien vraag je je ook af, wat doen die kanoërs daar? Altijd maar die regen en dan die wind? Ik kan me wel voorstellen dat het heel bijzonder is om in dit onbewoonde gebied in de ‘voetsporen’ van oude volkeren te treden en op die manier een voorstelling maken van hun leven. Je vindt hier nog echt restanten, werktuigen, pijlpunten, en meer van hen. Kanoërs blijven altijd vlak langs de kust varen en hebben nog meer contact met de omgeving. Maar, laten we dit maar aan de jeugd over, zij hebben nog voldoende veerkracht en zijn buigzaam. - Tegen de ochtend verleggen we wederom de koers en varen Bahia Anna Pink in. Met nog steeds wind in de rug varen we het continentale plat op. Gezien de enorme golven hebben we nu waarschijnlijk wel het tij tegen. Golven zijn zo’n zes tot acht meter hoog. Paul zet de motor erbij om voldoende snelheid te houden, zo surfen we een paar uur van de ene golf op de andere en spoelen Bahia Anne Pink binnen. Omdat de dag nog een flink aantal uurtjes licht heeft kunnen we ons een heel eind tussen de eilanden van de Chonos archipel werken, veilig voor de harde wind. Het spijker gaat bij caleta Saudade in de grond. Wat hebben we een geluk gehad met dit weerwindow. di, 05/05/2009 - 17:38 - 55_ Cta_ Saudade_ we zijn de Golfo de Pe__as over ©55_ Cta_ Saudade_ we zijn de Golfo de Pe__as over
betekent iets van weemoed, we kennen inmiddels twee schepen die zo heten, in gedachten proosten we met Willem & Jeanette en Giorgio & Mariolina.
Een paar dagen later gaan we toch weer verder. We komen in een gebied waar weer af en toe menselijke activiteit is waar te nemen. Dat begint met de Salmoneras. Salmoneras zijn bedrijven die zalm kweken. Met netten worden grote stukken van de kanalen tussen de vele eilandjes afgezet en hierin wordt zalm gekweekt. Die zalm wordt natuurlijk wel extra gevoed en komt daarna op zo’n mooi gouden schaaltje gerookt in de supermarkt. Jammie. Nu loopt het water me al in de mond. We kunnen geen hoek omvaren of we zien een volgend bedrijf. Van een afstand zien ze er allemaal hetzelfde uit. Steigers, bassins, hijswerktuigen, keet aan de ene kant en groot drijvend huis aan de andere kant. Af en toe zien we een bootje bij zo’n bedrijf. Veel activiteit zie ik niet.
De begroeiing op de wal verandert ook. Nog steeds zien we de ondoordringbare oerbossen van het regenwoud met bemoste boomstammen, lianen, varens en mossen, en de vele plantensoorten die omgevallen bomen als aarde kiezen. Hier, ten noorden van de Golfo de Peñas zien we enorme boomvarens. De naam zegt het al, varens zo groot als bomen. Zo ook de reuzenrabarberplant. Net als de in Nederland bekende rabarberplant, is dit ook een eetbare soort, alleen denk ik dat je met een half steeltje een hele familie kunt voeden, zo groot. De kleur rood voor bloemen is in heel Patagonië opvallend, veel wilde fuchsia’s en copihue (Chili’s nationale bloem), maar hier valt ons de kolibri op, die met zijn razendsnelle vleugelslag als een helicopter langs vliegt en met zijn lange snavel uit is op de nectar van de veelal rode bloemen.
We varen Kanaal Pulluche (wat een heerlijke Mapuche naam vind je ook niet) uit naar Kanaal Chacabuco, dan via Kanaal Errazuriz en Kanaal Moraleda naar Puerto Aguirre. Puerto Aguirre is na Pto Edén het tweede dorpje van deze reis. Het ligt op het eilandje Las Huichas en heeft ongeveer 1200 inwoners, voornamelijk vissers die er met hun gezinnen wonen. Ook is er een visconservenfabriekdo, 07/05/2009 - 21:36 - 59_ Caleta poza in pto Aguirre ©59_ Caleta poza in pto Aguirre
In Caleta La Poza gaat het anker in de grond, lopen we een schelpenpad omhoog, geloven onze ogen niet als we bamboe zien groeien, woaw, we komen echt al veel noordelijker, en maken een wandeling naar het dorpje. Onderweg stopt een carabiniero (politieman) om een praatje te maken. Van hem vernemen we dat vrijwel alle Samoneras stil liggen. Sinds enige tijd kampt men met een virus onder de zalm. Niet alleen Het Rode Getij maakt de schelpdieren onbruikbaar, nu ook al dit virus in de gekweekte zalm. Armoe is troef in Pto Aguirre. Mensen hebben nauwelijks geld om hun kinderen te voeden. Het enige wat rest voor de vissers is om op vis die erg diep zit te vissen. Wat een ellende. We kopen wat broodjes en maken een praatje bij de Armadapost. Hier laten we onze zarp (vaarvergunning) aanpassen omdat we richting Puyuhuapi willen en daarom door Kanaal Puyuhuapi en Kanaal Jacaf moeten, deze vaarwaters stonden nog niet op onze zarp. Een Mapuche armadavrouwtje met grote fluweelzachte ogen is ons behulpzaam. Ze is echter niet erg handig met Word op de computer en Paul loopt achter haar langs om haar te helpen. Mijn ogen zeggen: afblijven met je handen. Tja, het is toch een mannetje en zulke ogen zijn ook onweerstaanbaar. Na dit bezoek lopen we een basisschool binnen en krijgen spontaan een rondleiding. Wat een vriendelijke mensen ook hier weer. Als ik vertel dat ik jaren lang met kleuters gewerkt heb laat de juf haar klaslokaal zien, ook zij werkt hier met de jongsten. Helaas zie ik weinig ontwikkelingsmateriaal, maar wel heeft de school een grote keuken. Alle kinderen krijgen op school eerst ontbijt en tussen de middag een warme maaltijd. Dat is dan toch wel weer goed, want met een gevulde maag leert men beter dan met honger.
Twee dagen later varen we door Kanaal Puyuhuapi naar de bewoonde wereld en zien auto’s rijden. We varen langs een klein stukje van de Carretera Austral. De Carretera Austral is een weg die gebouwd wordt om het zuiden van Chili te ontsluiten. Nu kan het zuiden alleen nog via het water of door de lucht bereikt worden, daar komt snel verandering in. Er wordt hard gewerkt aan deze weg. De Carretera Austral loopt dwars door het dorpje Puerto Puyuhuapi. We kunnen hier onze boot veilig afmeren aan een drijvende steiger. Weliswaar is de drijvende steiger particulier eigendom. Voor 20.000 Chileense pesos mogen we er gebruik van maken. Afdingen heeft geen zin aldus de marinero alias bewaker. Eigenaar van de steiger is importeur van Mercedes, woont weliswaar in Santiago maar komt toch een dag of tien per jaar met de helikopter even overwippen om rond te scheuren in zijn dure motorjacht en gebruik te maken van zijn kapitale villa. Deze drijvende steiger is voor bevriende relaties, wij mogen er gebruik van maken, maar armoedzaaiers hebben hier niks te zoeken lijkt zijn boodschap. Nou ja, viel te proberen, maar dankbaar maken we gebruik van de luxe aan een bewaakte steiger te liggen. Het geeft ons de mogelijkheid om er een paar dagen tussenuit te gaan.
We verkennen het dorpje Puerto Puyuhuapi en kopen een kaartje voor de bus naar Coyhaique. Een 5 uur durende busreis leidt ons met 17 haarspeldbochten door de dalen van Parque Nacional Quelat. In dalen grazen kuddes schapen en koeien op weides langs rivieren. Weilanden liggen bezaaid met dikke boomstammen. Hoe komt dat? Nieuwe kolonisten (1930/1940 omgeving Aisén) kregen grote stukken grond van de dichtbeboste delen van de Andes toegewezen. De wet bepaalde dat deze stukken kaal gekapt moesten worden voor landbouw en veeteelt. Het hout was (toen) van generlei waarde dus het handigst was platbranden. De bossen werden gewoon in de fik gestoken. Gevolg: grote onbeheersbare bosbranden brengen onherstelbare schade aan de lengabossen in dit overgangsgebied van de Andes naar de Steppe. Weg die schakel in het ecosysteem. Inmiddels beseffen we ons steeds beter dat het weghalen of toevoegen van een schakel enorme gevolgen teweeg kunnen brengen. Die dikke stammen die al zo’n 70/80 jaar liggen weg te rotten herinneren ons eraan dat hier ooit enorme woudreuzen van bomen stonden. Onderweg stopt de bus even om ons een blik te gunnen op Ventisquero Colgante, een hangende gletsjer. Het stadje Coyhaigue met de sfeer van pioniers is aardig om te bezoeken. We trekken in bij Marluz, een klein familie hostalletje. Simpel, maar met warme douche. Wat een luxe. Paul en ik drinken een uitgebreide koffie in café Ricer en gaan weer eens lekker uit eten. Tussendoor wandelen we door een prachtige park op de Plaza de Armas, bezoeken Coyhaigue’s regionaal museum di, 12/05/2009 - 21:41 - 69_ Condor in regionaal museum ©69_ Condor in regionaal museum
van Patagonië en internetten uren lang in de lokale bibliotheek. Ter informatie klik ik even op wat sites voor vliegtickets, laat Paul zien wat ik gevonden heb en krijg terstond de opdracht het ticket meteen te boeken. Eind juni vliegen we weer naar Nederland voor een bezoek van tien weken. Maar daarover later meer.
Wat we in Coyhaigue ook kunnen en in Puyuhuapi niet is geld pinnen. Als miljonairs, wat je in Chili al snel bent gezien de lage koers, stappen we na twee dagen gelaafd te zijn weer in de bus om terug te keren naar Puerto Puyuhuapi.
Na het innemen van nog eens 200 liter diesel zoeken we een ankerplek 6 mijl verderop, bij Thermas de Puyuhuapi, een luxe kuuroord wat hier gebouwd is door de aanwezigheid van warmwaterbronnen. Niet verkeerd, zeker niet als je na zo’n drie maanden opgesloten te zijn in een cocon die men ook wel zeilboot placht te noemen wat stram in het vel komt te zitten. Het is dan ook geen straf als we hier vijf dagen moeten wachten, omdat er wel heel veel wind over komt.
De warme baden lokken enorm. Paul en ik gaan een kijkje nemen en we krijgen meteen een rondleiding. De kamers van het hotel bij de Thermen zijn sfeervol ingericht met natuurlijke materialen. Rustgevend. Geen schreeuwende t.v.’s. Wel een haardvuur en zachte banken. Er zijn drie buitenbaden met verschillende temperaturen. Het water uit de natuurlijke bron wordt hier en daar aangelengd met water uit een koud stroompje. Deze luxe verwachtte ik toch niet hier in die koude Patagonische kanalen. We komen kennelijk in een gebied waar ook vulkanische activiteit is waar te nemen. Naast de buitenbaden zijn er ook luxe binnenbaden, bubbelbaden, zout en zoet, relaxruimtes en zelf een fitnessroom. Ook de inwendige mens kan verwend worden in een sfeervol ingericht restaurant. vr, 15/05/2009 - 17:24 - 70_ Thermas de Puyuhuapi ©70_ Thermas de Puyuhuapi
vr, 15/05/2009 - 17:17 - 71_ Zwemmen in de Patagonische kanalen ©71_ Zwemmen in de Patagonische kanalen
Na een aantal uurtjes weken in de warme baden genieten we van de culinaire capriolen van een naar mijn mening vijf sterren kok. Als de wind nog een paar dagen langer tegen zit en we gedwongen moeten wachten, ben ik helemaal in mijn nopjes. Maar aan alle dingen komt een eind, zelfs aan de goede. Het juiste weer dient zich aan, en we verlaten ook deze goddelijke plek. We varen een stukje terug in Seno Ventisquero en nemen dan Kanaal Jacaf. Daar gaat de spijker weer in de grond in Caleta Manuel, een prachtige ankerplek aan het eind van een lang fjord. Hier wachten we een volgende depressie af met enorm veel wind, maar we liggen goed. Voor de verjaardag van Paul maak ik een grote appeltaart waarmee we gelijk een week lang lekkers bij de koffie hebben. do, 21/05/2009 - 16:17 - 72_ Nu dan toch echt een trekker van Drees ©72_ Nu dan toch echt een trekker van Drees
Na die depressie krijgen we twee dagen lichte zuidelijke wind. We besluiten een nachtje door te varen en kunnen zo een grote sprong maken naar het noorden. Het eiland Chiloé hoort nog wel bij Patagonië, maar is een compleet andere wereld als je zo lang in de Chileense kanalen hebt vertoefd. We zien een lieflijk landschap met weitjes, schapen, koetjes, ganzen, kippen, huisjes en kerkjes. En we horen honden blaffen. Over Isla Grande de Chiloé vertel ik meer in de volgende nieuwsbrief. Eerst gaan Paul en ik even genieten van het (bijna) einde van deze lange barre tocht die zo ineens voorbij is.

Mariëtta, 31 mei 2009

Niet vergeten: 11e gebod: gij zult genieten.
Volgende keer meer!

Locatie: